voorschrijven | conjugation
Felemenkçe verb 'voorschrijven' conjugated in all tenses and forms.
Conditional
| ik | zou voorschrijven |
|---|
| jij | zou voorschrijven |
|---|
| hij | zou voorschrijven |
|---|
| wij | zouden voorschrijven |
|---|
| jullie | zouden voorschrijven |
|---|
| zij | zouden voorschrijven |
|---|
| ik | zou voorgeschreven hebben |
|---|
| jij | zou voorgeschreven hebben |
|---|
| hij | zou voorgeschreven hebben |
|---|
| wij | zouden voorgeschreven hebben |
|---|
| jullie | zouden voorgeschreven hebben |
|---|
| zij | zouden voorgeschreven hebben |
|---|
Indicative - Aantonende wijs
| ik | schrijf voor |
|---|
| jij | schrijft voor |
|---|
| hij | schrijft voor |
|---|
| wij | schrijven voor |
|---|
| jullie | schrijven voor |
|---|
| zij | schrijven voor |
|---|
| ik | heb voorgeschreven |
|---|
| jij | hebt voorgeschreven |
|---|
| hij | heeft voorgeschreven |
|---|
| wij | hebben voorgeschreven |
|---|
| jullie | hebben voorgeschreven |
|---|
| zij | hebben voorgeschreven |
|---|
| ik | schreef voor |
|---|
| jij | schreef voor |
|---|
| hij | schreef voor |
|---|
| wij | schreven voor |
|---|
| jullie | schreven voor |
|---|
| zij | schreven voor |
|---|
| ik | had voorgeschreven |
|---|
| jij | had voorgeschreven |
|---|
| hij | had voorgeschreven |
|---|
| wij | hadden voorgeschreven |
|---|
| jullie | hadden voorgeschreven |
|---|
| zij | hadden voorgeschreven |
|---|
| ik | zal voorschrijven |
|---|
| jij | zult voorschrijven |
|---|
| hij | zal voorschrijven |
|---|
| wij | zullen voorschrijven |
|---|
| jullie | zullen voorschrijven |
|---|
| zij | zullen voorschrijven |
|---|
| ik | zal voorgeschreven hebben |
|---|
| jij | zult voorgeschreven hebben |
|---|
| hij | zal voorgeschreven hebben |
|---|
| wij | zullen voorgeschreven hebben |
|---|
| jullie | zullen voorgeschreven hebben |
|---|
| zij | zullen voorgeschreven hebben |
|---|
Imperative - Gebiedende wijs