onderverdelen | conjugation
neerlandés verb 'onderverdelen' conjugated in all tenses and forms.
Conditional
| ik | zou onderverdelen |
|---|
| jij | zou onderverdelen |
|---|
| hij | zou onderverdelen |
|---|
| wij | zouden onderverdelen |
|---|
| jullie | zouden onderverdelen |
|---|
| zij | zouden onderverdelen |
|---|
| ik | zou onderverdeeld hebben |
|---|
| jij | zou onderverdeeld hebben |
|---|
| hij | zou onderverdeeld hebben |
|---|
| wij | zouden onderverdeeld hebben |
|---|
| jullie | zouden onderverdeeld hebben |
|---|
| zij | zouden onderverdeeld hebben |
|---|
Indicative - Aantonende wijs
| ik | onderverdeel |
|---|
| jij | onderverdeelt |
|---|
| hij | onderverdeelt |
|---|
| wij | onderverdelen |
|---|
| jullie | onderverdelen |
|---|
| zij | onderverdelen |
|---|
| ik | heb onderverdeeld |
|---|
| jij | hebt onderverdeeld |
|---|
| hij | heeft onderverdeeld |
|---|
| wij | hebben onderverdeeld |
|---|
| jullie | hebben onderverdeeld |
|---|
| zij | hebben onderverdeeld |
|---|
| ik | onderverdeelde |
|---|
| jij | onderverdeelde |
|---|
| hij | onderverdeelde |
|---|
| wij | onderverdeelden |
|---|
| jullie | onderverdeelden |
|---|
| zij | onderverdeelden |
|---|
| ik | had onderverdeeld |
|---|
| jij | had onderverdeeld |
|---|
| hij | had onderverdeeld |
|---|
| wij | hadden onderverdeeld |
|---|
| jullie | hadden onderverdeeld |
|---|
| zij | hadden onderverdeeld |
|---|
| ik | zal onderverdelen |
|---|
| jij | zult onderverdelen |
|---|
| hij | zal onderverdelen |
|---|
| wij | zullen onderverdelen |
|---|
| jullie | zullen onderverdelen |
|---|
| zij | zullen onderverdelen |
|---|
| ik | zal onderverdeeld hebben |
|---|
| jij | zult onderverdeeld hebben |
|---|
| hij | zal onderverdeeld hebben |
|---|
| wij | zullen onderverdeeld hebben |
|---|
| jullie | zullen onderverdeeld hebben |
|---|
| zij | zullen onderverdeeld hebben |
|---|
Imperative - Gebiedende wijs