overleggen | conjugation
neerlandés verb 'overleggen' conjugated in all tenses and forms.
Conditional
| ik | zou overleggen |
|---|
| jij | zou overleggen |
|---|
| hij | zou overleggen |
|---|
| wij | zouden overleggen |
|---|
| jullie | zouden overleggen |
|---|
| zij | zouden overleggen |
|---|
| ik | zou overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| jij | zou overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| hij | zou overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| wij | zouden overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| jullie | zouden overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| zij | zouden overlegd; overgelegd hebben |
|---|
Indicative - Aantonende wijs
| ik | overleg; leg over |
|---|
| jij | overlegt; legt over |
|---|
| hij | overlegt; legt over |
|---|
| wij | overleggen; leggen over |
|---|
| jullie | overleggen; leggen over |
|---|
| zij | overleggen; leggen over |
|---|
| ik | heb overlegd; overgelegd |
|---|
| jij | hebt overlegd; overgelegd |
|---|
| hij | heeft overlegd; overgelegd |
|---|
| wij | hebben overlegd; overgelegd |
|---|
| jullie | hebben overlegd; overgelegd |
|---|
| zij | hebben overlegd; overgelegd |
|---|
| ik | overlegde; legde over |
|---|
| jij | overlegde; legde over |
|---|
| hij | overlegde; legde over |
|---|
| wij | overlegden; legden over |
|---|
| jullie | overlegden; legden over |
|---|
| zij | overlegden; legden over |
|---|
| ik | had overlegd; overgelegd |
|---|
| jij | had overlegd; overgelegd |
|---|
| hij | had overlegd; overgelegd |
|---|
| wij | hadden overlegd; overgelegd |
|---|
| jullie | hadden overlegd; overgelegd |
|---|
| zij | hadden overlegd; overgelegd |
|---|
| ik | zal overleggen |
|---|
| jij | zult overleggen |
|---|
| hij | zal overleggen |
|---|
| wij | zullen overleggen |
|---|
| jullie | zullen overleggen |
|---|
| zij | zullen overleggen |
|---|
| ik | zal overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| jij | zult overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| hij | zal overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| wij | zullen overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| jullie | zullen overlegd; overgelegd hebben |
|---|
| zij | zullen overlegd; overgelegd hebben |
|---|
Imperative - Gebiedende wijs