overschakelen | conjugation
neerlandés verb 'overschakelen' conjugated in all tenses and forms.
Conditional
| ik | zou overschakelen |
|---|
| jij | zou overschakelen |
|---|
| hij | zou overschakelen |
|---|
| wij | zouden overschakelen |
|---|
| jullie | zouden overschakelen |
|---|
| zij | zouden overschakelen |
|---|
| ik | zou overgeschakeld hebben |
|---|
| jij | zou overgeschakeld hebben |
|---|
| hij | zou overgeschakeld hebben |
|---|
| wij | zouden overgeschakeld hebben |
|---|
| jullie | zouden overgeschakeld hebben |
|---|
| zij | zouden overgeschakeld hebben |
|---|
Indicative - Aantonende wijs
| ik | schakel over |
|---|
| jij | schakelt over |
|---|
| hij | schakelt over |
|---|
| wij | schakelen over |
|---|
| jullie | schakelen over |
|---|
| zij | schakelen over |
|---|
| ik | heb overgeschakeld |
|---|
| jij | hebt overgeschakeld |
|---|
| hij | heeft overgeschakeld |
|---|
| wij | hebben overgeschakeld |
|---|
| jullie | hebben overgeschakeld |
|---|
| zij | hebben overgeschakeld |
|---|
| ik | schakelde over |
|---|
| jij | schakelde over |
|---|
| hij | schakelde over |
|---|
| wij | schakelden over |
|---|
| jullie | schakelden over |
|---|
| zij | schakelden over |
|---|
| ik | had overgeschakeld |
|---|
| jij | had overgeschakeld |
|---|
| hij | had overgeschakeld |
|---|
| wij | hadden overgeschakeld |
|---|
| jullie | hadden overgeschakeld |
|---|
| zij | hadden overgeschakeld |
|---|
| ik | zal overschakelen |
|---|
| jij | zult overschakelen |
|---|
| hij | zal overschakelen |
|---|
| wij | zullen overschakelen |
|---|
| jullie | zullen overschakelen |
|---|
| zij | zullen overschakelen |
|---|
| ik | zal overgeschakeld hebben |
|---|
| jij | zult overgeschakeld hebben |
|---|
| hij | zal overgeschakeld hebben |
|---|
| wij | zullen overgeschakeld hebben |
|---|
| jullie | zullen overgeschakeld hebben |
|---|
| zij | zullen overgeschakeld hebben |
|---|
Imperative - Gebiedende wijs